Privacy is nu meer dan ooit een hot
topic. De huidige informatiemaatschappij biedt steeds meer mogelijkheden tot
ongebreidelde vergaring, bewerking en verspreiding van persoonsgegevens, hetgeen
op gespannen voet staan met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Tegelijkertijd worden mensen zich steeds bewuster van hun privacy en hun
rechten als het gaat om de verwerking van hun persoonsgegevens. Steeds vaker
doen mensen een beroep op hun inzagerecht of het recht om vergeten te worden.
Maar wat doe je als een dergelijk verzoek wordt afgewezen?

Reactietermijn

Op grond van de AVG moet de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene
onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van een verzoek informatie
verstrekken over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de
complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn
indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De
verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van
het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging.

Wel of niet binnen
de reactietermijn gereageerd?

Indien de verwerkingsverantwoordelijke binnen de termijn van één maand
heeft gereageerd op het verzoek van de betrokkene, heeft de betrokkene op grond
van artikel 35 Uitvoeringswet AVG (“UAVG”) vervolgens zes weken de tijd om, indien hij zich niet kan verenigen met de
beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke, een verzoekschrift in te dienen
bij de rechter.

Heeft de verwerkingsverantwoordelijke niet binnen de termijn gereageerd,
dan geldt er geen termijn voor indiening van het verzoekschrift bij de civiele
rechter omdat het niet nodig is en ook niet erg redelijk om de rechtzoekende
een betrekkelijk korte termijn te geven om het verzoekschrift in te dienen als
de verwerkingsverantwoordelijke in gebreke is.

Wanneer ben je op
tijd?

Er is interessante jurisprudentie gewezen over de vraag of een
betrokkene de gerechtelijke procedure, na een afwijzing, op tijd (dus binnen
zes weken) is gestart.

In een zaak
tussen een betrokkene en ING ging het om een registratie bij de stichting
Bureau Krediet Registratie (BKR) in verband met een betalingsachterstand. Omdat
de betrokkene de (herhaaldelijk gemaakte) betaalafspraken niet volledig is nagekomen,
is naar aanleiding van een melding van ING een negatieve codering geplaatst in het
Centraal Krediet Informatiesysteem van het BKR. De betrokkene heeft na verloop
van tijd het door ING ingeschakelde incassobureau verzocht om de
BKR-registratie te verwijderen. Dit verzoek is op 13 oktober 2017 afgewezen.

ING had zich op het standpunt gesteld dat nu de betrokkene de
dagvaarding bijna een jaar na afwijzing van het verwijderingsverzoek bij ING
heeft betekend, de termijn van zes weken is overschreden.

ING verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank
Amsterdam
uit 2015. In die zaak ging het ook om een verzoek tot
verwijdering van een negatieve BKR-registratie. Het verschil is echter dat de
zaak uit 2015 geen kort geding betrof, maar een verzoekschriftprocedure. Omdat
het verzoekschrift niet binnen zes weken na afwijzing van het
verwijderingsverzoek was ingediend, werd de verzoeker door de rechtbank
Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard.

In deze zaak lag het echter anders. Het ging hier niet om een
verzoekschrift dat was ingediend ingevolge artikel 35 UAVG, maar om een
kortgedingdagvaarding, waarin veroordeling van ING wordt gevorderd tot
verwijdering van de negatieve BKR-registratie, die volgens de betrokkene ten
onrechte niet door ING is verwijderd. De zaak kon daarom alsnog door de rechter
worden behandeld. De termijn van zes weken lijkt daarom omzeild te kunnen worden
door voor een kort geding te kiezen in plaats van een verzoekschrift.

In een andere uitspraak,
waarin het ook ging om verwijdering van negatieve BKR-registraties, deed zich
hetzelfde voor. De betrokkene voerde aan dat hij op grond van de AVG het recht heeft
een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een – in zijn visie
– onterechte BKR-registratie, van welk recht hij te allen tijde gebruik moet
kunnen maken. De in artikel 35 UAVG opgenomen termijn van zes weken is daarmee
in strijd met de AVG en betreft volgens de betrokkene een ‘weeffout’. Deze
termijn is onvoldoende om een civiele procedure ter bescherming van
grondrechten voor te bereiden, zodat de in dat artikel voorgeschreven procedure
niet als een doeltreffende voorziening in de zin van de AVG kan worden
aangemerkt, aldus de betrokkene. Bovendien staat toepassing van die termijn eraan
in de weg dat de betrokkene te allen tijde moet kunnen opkomen tegen een
(vermeend) onterechte BKR-registratie.

Op de stelling dat sprake is van een weeffout gaat de rechter niet in. De
rechter oordeelt wel dat de wetgever met artikel 35 UAVG een speciale procedure
in het leven heeft geroepen en dat die rechtsgang niet kan worden omzeild door
zich (enkel) te beroepen op de algemene regeling betreffende onrechtmatig
handelen. De betrokkene werd daarom alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De
rechter gaat dus uit van een gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

Deze uitspraak is echter niet verenigbaar met weer een eerdere uitspraak
van het gerechtshof
Den Haag
: “Het is waar dat artikel 46 Wbp [voorganger van artikel 35 UAVG] een
speciale rechtsgang biedt voor de betrokkene die bezwaar heeft tegen de
verwerking van zijn persoonsgegevens. Dat neemt echter niet weg dat een
verwerking die strijdig is met de Wbp een onrechtmatig handelen tegenover de
betrokkene oplevert en dat aan deze in elk geval ook de algemene bevoegdheid
ten dienste staat zich tot de civiele rechter te wenden met een vordering tot
schadevergoeding of tot het staken of ongedaan maken van het beweerde
onrechtmatig handelen.”

Het blijft onzeker, maar de lijn in de rechtspraak, op een uitzondering
na, lijkt (vooralsnog) het belang op effectieve rechtsbescherming in geval van
een onrechtmatige gegevensverwerking te laten prevelaren.

https://www.solv.nl/weblog/verwijderingsverzoek-persoonsgegevens-afgewezen-de-volgende-stap/21792