Het bedrijf achter de Amerikaanse krant The New York Times heeft eerder deze week het populaire woordspelletje Wordle gekocht. Heeft de aanschaf gevolgen voor Woordle, de Nederlandse kloon van het spelletje? Schendt deze variant op Wordle het auteursrecht, of niet?
Om te voorkomen dat anderen kenmerken van jouw creatie klakkeloos overnemen, kun je beroep doen op het auteursrecht. Hiermee krijg je als maker – de auteur – automatisch recht over het werk dat je hebt gemaakt. Abstracte concepten, zoals ideeën en gedachten, vallen niet onder het auteursrecht. Daarvan kun je moeilijk bewijzen dat deze helemaal uniek zijn.
Wordle, een spelletje waarbij je woorden moet raden, is niet uniek en niet nieuw, zegt advocaat René Otto, die gespecialiseerd is in games.
“Het idee van een spel waarbij woorden van vijf letters worden geraden, is niet auteursrechtelijk beschermd. Anderen mogen dus ook zulke games maken, zolang ze geen inbreuk maken op het auteursrecht van bestaande games. Sterker nog: dergelijke games waren er al lang voor Wordle. Denk aan bijvoorbeeld Lingo, Jotto en Bulls and Cows.”
Risico van auteursrechtclaim ligt altijd op de loer
Otto zegt dat het risico van een auteursrechtclaim er altijd is. Het is alleen de vraag hoeveel kans op succes deze claim heeft. Daarvoor moeten in dit geval auteursrechtelijk beschermde elementen van Wordle zijn overgenomen in Woordle en moet de totaalindruk in de twee spellen hetzelfde zijn.
“Wat niet in het voordeel van Wordle spreekt, is dat het geen uniek uiterlijk heeft. Iets is pas auteursrechtelijk beschermd als het een eigen intellectuele schepping is, wat betekent dat het een zekere mate van creativiteit en originaliteit moet hebben. Je kunt je afvragen of dat hier het geval is, omdat de waarneembare stijl niet veel meer is dan enkele vierkanten met letters en wat kleurenfeedback”, zegt de advocaat.
En als The New York Times toch een auteursrechtclaim indient? Dan is het belangrijk dat de Woordle-maker zich daartegen verweert met hulp van een advocaat, zegt Otto. “Vaak ontvang je eerst een sommatiebrief, maar soms wordt het door de eisende partij ook via de hostingprovider gespeeld. Dan kan de game offline worden gehaald. Dat laatste is effectiever, maar als het achteraf onterecht is, dan zou de maker recht kunnen hebben op een schadevergoeding.”
Woordle-maker is niet bang voor copyrightclaims
Maar is het verstandig om een juridische strijd aan te gaan met een kapitaalkrachtige partij als The New York Times? “Dat hangt af van de eis. Stoppen de Amerikanen met procederen zodra de game offline gaat, of willen ze ook daadwerkelijk een schadevergoeding claimen? Als dat laatste het geval is en ze bereid zijn om te procederen, dan heeft de maker van Woordle weinig keus.”
Bang voor copyrightclaims van The New York Times is Woordle-maker Jelle Besseling echter niet. De code van de eerste versie van zijn spel was deels gebaseerd op die van de originele Wordle-versie, maar Besseling heeft die inmiddels vervangen door zijn eigen code.
Daarnaast wijst hij op het feit dat het concept van Wordle niet onder auteursrecht valt. “Uiteraard zou The New York Times een sommatiebrief kunnen sturen. Dan moet ik gaan twijfelen of ik zin heb om te vechten tegen zo’n gigant, maar ik denk dat ze daar ook geen zin in hebben. Dat veroorzaakt alleen maar ophef”, zegt hij.













