
Mensen op social media blijken AI ook te kunnen gebruiken om mijn cartoons aan te passen, aldus cartoonist Tjeerd Royaards in Villamedia (dank, tipgevers). Daarbij wordt zijn punt volledig omgedraaid én zijn naam blijft erbij staan, waardoor mensen makkelijk op het verkeerde been gezet kunnen worden. Mag dat?
Royaards vertelt:
Op 8 juni publiceerde ik een cartoon in Trouw over hoe extreemrechtse protesten een klimaat van angst en xenofobie creëren. Een stoet van demonstranten loopt door de straat. De voorste demonstrant draagt een grote prinsenvlag. Het uiteinde van deze vlag waait de hoek van de straat om en vervormt tot een kluwen giftige slangen, die een moeder en kind van kleur bedreigen. … In de eerste bewerking is de prinsenvlag veranderd in een regenboogvlag, en zijn de mensen van kleur wit gemaakt (…). In de tweede bewerkte versie vervormt de prinsenvlag tot een leeuw, waardoor een cartoon ontstaat die nationalisme verheerlijkt.
De vraag is natuurlijk of dat mag. Het algemene antwoord is dat het er daarbij niet toe doet of er AI is gebruikt. Bewerken van andermans beeld gebeurt al ongeveer zo lang als er beeld is. Daar hebben we normen over (die Royaards ook noemt), met name het recht van parodie en het recht tegen verminking van je werk.
De afbeelding bij deze blog is het juridische standaardvoorbeeld: in het Deckmyn-arrest bepaalde het Hof van Justitie dat deze afbeelding van De Wilde Weldoener bewerken voor een politieke boodschap in principe mag. Daarbij is het niet verplicht om het werk er significant anders uit te laten zien en niet verplicht om duidelijk te maken dat het van een ander komt:
Het begrip „parodie” in de zin van deze bepaling dient niet te voldoen aan zodanige voorwaarden dat de parodie een ander eigen oorspronkelijk karakter vertoont dan louter duidelijke verschillen met het geparodieerde oorspronkelijke werk, redelijkerwijze aan een andere persoon dan de auteur van het oorspronkelijke werk zelf kan worden toegeschreven, betrekking heeft op het oorspronkelijke werk zelf of de bron van het geparodieerde werk vermeldt.
Al die beperkingen maken het moeilijker om een goeie grap te maken, of een eigen politiek of ander maatschappelijk punt te maken. Juist de herkenbaarheid en verwarring (zoals een bombardement op het Smurfendorp) draagt daar aan bij.
Wel moet in het algemeen “een rechtvaardig evenwicht” worden gevonden tussen de belangen van de oorspronkelijke auteur en van degene die er een eigen uiting van maakt. Dat is een contextafhankelijke vraag zonder algemeen antwoord, maar het Hof van Justitie liet wél doorwegen dat “het belang van het verbod van discriminatie op grond van ras, huidskleur en etnische afstamming” hier zwaar weegt. Op grond daarvan kun je als cartoonist dus verbieden dat jouw werk wordt omgezet tot een parodie die dat verbod overtreedt.
Het grote probleem, en dat is wél AI-uniek, is de schaal en snelheid:
In het verleden was een geparodieerde cartoon duidelijk als zodanig herkenbaar, omdat het moeilijk was veranderingen in dezelfde stijl te houden en omdat deze veranderingen veelal werden gemaakt door mensen die beperkte kennis van beeldbewerking hadden. Maar als je cartoons met AI bewerkt, kan je met een druk op de knop elementen toevoegen die (bijna) naadloos bij mijn tekenstijl passen.
Ik vraag me af of je dit als een contextuele factor mee moet nemen. Het traditionele antwoord is “nee”, omdat je elke afbeelding op zijn merites moet beantwoorden. En dat die dan snel met Gemini of heel langzaam en precies in Paint is gemaakt, is geen aspect van de afbeelding zelf.
Tegelijkertijd zie ik hoe het véél moeilijker en tijdrovender wordt om tegen al die parodieën op te treden. Het argument “geen parodie want snel uit AI” zou daarbij de rechthebbende helpen. Maar dat is oneigenlijk.
Arnoud













