Europallets zijn met instemming van de merkhouder in het verkeer gebracht. Een derde heeft deze pallets nadien gerepareerd en vervolgens verder verhandeld. Een merkhouder kan zich op grond van de Gemeenschapsmerkenverordening (oud) verzetten tegen zo’n verdere verhandeling als hij daarvoor ‘gegronde redenen’ heeft, met name als de toestand van de waren is gewijzigd of verslechterd nadat zij in de handel zijn gebracht.
De Hoge Raad vraagt het HvJEU wanneer van ‘gegronde redenen’ sprake is. Onder meer vraagt de Hoge Raad of van belang is of de verdere verhandeling afbreuk doet aan de functies van het merk, of reparatie heeft plaatsgevonden door een ander dan de merkhouder, of bijvoorbeeld merktekens zijn verwijderd zodat de indruk wordt vermeden dat een economische band bestaat tussen merkhouder en verhandelaar en of van belang is of het gaat om een collectief merk.













