Facebook is zich ervan bewust is dat het de verspreiding van misinformatie en geweld in India heeft bevorderd. Dat schrijft The New York Times zaterdag op basis van documenten die klokkenluider Frances Haugen aan de krant heeft verstrekt.
Volgens de documenten heeft het sociale netwerk niet genoeg middelen om de verspreiding van schadelijk materiaal in het dichtbevolkte land aan te pakken. Toch is India de grootste individuele markt van Facebook, met 340 miljoen mensen die zijn diensten gebruiken.
Een onderzoek uit 2021 wijst uit dat veel schadelijke inhoud van hindoe-nationalistische groepen niet werd opgemerkt op Facebook of WhatsApp. Dit zou onder andere komen door een gebrek aan kennis van Bengaals en Hindi en de context van de berichten die in die talen zijn geschreven.
Tegelijkertijd zou Facebook hebben geweigerd de haatzaaiende berichten te verwijderen vanwege “politieke gevoeligheden”. Zo bleven berichten van de hindoe-nationalistische jongerenorganisatie Bajrang Dal, die banden heeft met de partij van premier Narendra Modi, staan. Bajrang Dal staat bekend als een anti-islamitische organisatie, waarvan leden geen geweld tegen moslims schuwen. Facebook zou ook een witte lijst voor politici die waren vrijgesteld van factchecking.
Net als bij eerdere berichten over de lekken, zegt Facebook dat de lekken geen goed beeld schetsen van de werkwijze van het bedrijf. In een blogpost die geschreven is als reactie op het bericht van The New York Times legt Facebook uit dat “elk land een andere benadering vereist en dat het bedrijf blijft zoeken naar de beste oplossingen”. Zo kijkt het platform om de zes maanden naar landen met het hoogste risico op offline schade en geweld en besluit hoe het gepast kan reageren op onlusten.













