Moet jij bewijzen dat je handtekening is vervalst, of de wederpartij het omgekeerde? Die vraag kwam recent zijdelings langs bij het Hof Amsterdam in een zaak over een borgtochtovereenkomst.

De gedaagde partij zou volgens een borgtochtovereenkomst op moeten draaien voor een lening van € 18.630 aan een (ondertussen failliet) bedrijf waar hij directeur en enig aandeelhouder van was. In art. 7:859 BW staat dat een borgovereenkomst alleen kan worden bewezen met een door de borgsteller ondertekend geschrift. Betwisten van de handtekening kan dus een effectief middel zijn om zo’n borg van tafel te krijgen.

Het Hof vindt de stelling dat deze persoon niets te maken had met de lening of borg moeilijk te geloven – hij was immers de enige directeur van het bedrijf. Die skepsis zien we terug in de beoordeling van de argumenten over identiteitsmisbruik:

In dat verband ligt het op zijn weg toe te lichten hoe het mogelijk is dat derden in het bezit zijn gekomen van gegevens met betrekking tot Zesto Groep zoals inloggegevens behorend bij de mailaccount en de bankrekening van Zesto Groep en wat de achtergrond en redenen ervan zijn dat diverse geldbedragen van de bankrekening van Zesto Groep zijn overgeboekt naar zijn eigen privérekening.

De achterliggende technologie is IDIN. Hierbij identificeer je jezelf via je bank, wat algemeen als veilig wordt gezien omdat toegang tot bankrekeningen al aan strenge authenticatie- en veiligheidsvoorschriften gebonden is. Daarnaast wordt gesproken over een mailaccount, dat is het info@ adres dus ik kan me nog nét voorstellen dat een ander dan de directeur in die mailbox kan.

Bij het banksysteem is dat wat meer twijfelachtig, gezien het algemeen bekende feit dat daar tweefactorauthenticatie en andere controles en toezicht zijn. Terecht zegt het Hof dan ook:

Onder deze omstandigheden lag het op de weg van [appellant] toe te lichten hoe het mogelijk is dat derden aan zijn persoonlijke inloggegevens zijn gekomen als het werkelijk zo is dat een en ander buiten hem om is gegaan. [appellant] heeft die toelichting evenwel niet gegeven. De stelling van [appellant] dat de stem in de geluidsfragmenten van de telefoongesprekken niet van hem is, maar van [naam 3] en dat daaruit zou moeten blijken dat niet [appellant] maar [naam 3] betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomsten, is door [appellant] – tegenover de betwisting van [geïntimeerde] – op geen enkele wijze onderbouwd.

Dit wringt in zoverre dat normaliter de wederpartij bij een “stellige ontkenning” moet bewijzen dat de handtekening wél door die persoon is gezet (art. 159 lid 2 Rv). En daar komt bij dat de borg door deze meneer is aangegaan vanuit zakelijke motieven – zijn eigen bedrijf, immers – en dat de strenge handtekeningeis daarmee van tafel is.

De man krijgt de borgverplichting dus gewoon opgelegd. Had hij enige argumenten ingebracht waarom zijn account gehackt was of internetbankieren overgenomen, dan was dat wellicht anders komen te liggen.

Arnoud