Toen tijdens een van de persconferenties minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) alleen al het voornemen van een corona-app uitsprak, haalde men bijna collectief de neus op. Zo karakteriseerde Rosanne Hertzberger de ophef over de corona-app in een recente column in NRC. Zo raar he mensen, iedereen zet alles op Facebook maar als de overheid een snippertje data van je wil dan schieten we in de heiligste verontwaardiging en wordt 1984 bij stapels verbrand. Of zoiets. En man wat krijg ik een jeuk van dát kulargument. Maar in plaats van in een dikke factfree tirade te schieten, dacht ik ik duik eens in de literatuur of er ooit onderzoek naar gedaan is. En dat is er dus.

Met enige speurwerk vond ik het proefschrift van Joris Demmers, die in 2018 doctor werd op de vraag hoe en waarom consumenten hun data delen met bedrijven. Hij bekeek het vanuit het perspectief van marketing: hoe je consumenten verleidt om wél gegevens te geven. Daarbij speelt mee dat mensen wel degelijk de privacyzorgen kennen, en dat die zeker ook meewegen op het moment dat men een beslissing maakt (zoals iets posten of gegevens verstrekken). Het is dus niet zo dat men zich niet bewust is van de risico’s, of dat mensen het prima vinden om als een datapunt verhandeld te worden. De “privacy bestaat niet, get over it”-club is een hele kleine.

Het punt is dat privacyzorgen abstract zijn, terwijl wat daar tegenover staat juist concreet is: ik wil nu dat spelletje spelen, ik wil dit product hebben en ik wil graag reageren op die stelling. Het is een bekend fenomeen dat mensen abstracte risico’s als minder ernstig zien wanneer er concrete voordelen tegenover staan. Zo zal Hertzberger vast weten dat alcohol slecht voor je is, maar als er concreet een mooi wijntje op tafel komt bij het diner dan zal zij zoals de meeste mensen toch dat glas nemen. (Doe ik ook hoor.) Dat is dan concreet en fijn, en het abstracte risico van leverkwalen en ander drankgerelateerde ongein dat zakt dan weg. Maar hoe maak je die afweging?

Demmers laat in zijn onderzoek zien (p. 66-68) dat daarbij van belang is hoe dichtbij de kosten en de baten staan. Als de baten zeer dichtbij zijn, zeer concreet – nú snel inloggen – en de kosten zeer abstract en ver weg – Google weet nu iets meer van je – dan zullen de baten de doorslag geven. Dan ga je dus via Google inloggen. Zijn de kosten dichterbij – een autoverzekeraar wil je rijgedrag in detail hebben, elke rit – en de baten wat verder weg – je premie gaat 10% omlaag – dan laten mensen zich leiden door de kosten, de risico’s. Die verzekering neem je dus niet.

Demmers:

We showed that consumers hold relatively high-level, abstract mindsets in attitudinal privacy preference contexts, whereas they hold more concrete, low-level mindsets in behavioral contexts, which is in line with the idea to which an event is directly experienced determines the way it is mentally processed (Wakslak, 2007). In disclosure situations that are characterized by the common configuration of psychologically close benefits versus distant costs of disclosure, these diverging mindsets cause people to focus on the psychologically close benefits in behavioral privacy preference contexts, but on the psychologically distant, more abstractly construed costs in attitudinal contexts.

Een argument dat zegt “mensen plaatsen alles op Facebook dus moeten ze niet zeuren over een overheids-app” slaat de plank dus mis omdat het twee onvergelijkbare situaties betreft. Bij Facebook zijn de risico’s abstract en lastig inzichtelijk, en zijn de baten er direct en concreet. Het is léuk om iets op Facebook te zetten, met vrienden te interacteren en spelletjes te spelen. En concreter dan “dan krijg je meer reclame op maat” wordt het niet, qua kosten-analyse. Dus ik zie wel hoe men dan uitkomt bij gewoon doorgaan met Facebook. (Nog even los van dingen als het netwerkeffect of FOMO).

Terwijl bij zo’n overheidsapp de baten zeer abstract zijn maar de kosten reëel: je wordt ieder moment gevolgd, de overheid kijkt mee. Dat maakt dat de afweging dus heel begrijpelijk zeer anders uitvalt. Dus nee, het slaat nergens op om dit te zeggen – je vergelijkt appels met peren.

Arnoud

Source