De ACM legde in oktober 2016 boetes
op aan webwinkels Bever (198 duizend euro) en Coolcat (220 duizend euro)
vanwege het niet naleven van regels voor koop op afstand. De rechtbank
vernietigde eerder al een deel van de boetes in verband met strijd met het
gelijkheidsbeginsel. Het College van
Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: “CBb”) heeft nu ook de boetes voor
fouten bij de retourvergoeding geschrapt. De ACM had bij het opleggen van die
boetes immers nog geen wettelijke bevoegdheid om handhavend op te treden tegen
de overtredingen.

De Wet handhaving
consumentenbescherming (hierna: “Whc”) belast de ACM met het toezicht op de
naleving van consumentenrechten. Onderdeel van dit toezicht is dat de ACM
onderzoek kan doen naar overtredingen van consumentenrechten en het opleggen
van boetes terzake. In 2015 en 2016 heeft de ACM, naar aanleiding van een
onderzoek van de Consumentenbond, onderzoek gedaan naar handelspraktijken van
modewebwinkels. De ACM constateerde bij Bever en Coolcat overtredingen van de
terugbetalingsverplichting (artikel
6:230r, eerste lid, van het BW)
en de informatieplicht (artikel 6:230m, eerste lid, aanhef en
onder h, van het BW)
, nadat een mystery shopper bestellingen deed via de
websites. Bij andere modewebwinkels die onderwerp waren van hetzelfde grote
onderzoek van de ACM werden vergelijkbare overtredingen geconstateerd. De ACM
koos ervoor om Bever en Coolcat direct boetes op te leggen als gevolg van de
overtredingen en de andere 40 modewebwinkels eerst te waarschuwen.

Beroep
bij de rechtbank

Bever en Coolcat gingen in beroep tegen het besluit van de ACM, zich onder
andere beroepend op het gelijkheidsbeginsel. De modewebwinkels werden immers direct
beboet zonder eerst te worden gewaarschuwd, terwijl de ACM hun concurrenten voor
dezelfde overtredingen wel waarschuwde en gelegenheid gaf tot herstel van de
overtredingen. De
rechtbank
Rotterdam
verklaarde het beroep op het gelijkheidsbeginsel in
december 2017 gegrond en vernietigde het boetebesluit inzake de
informatieplicht. De rechtbank overwoog dat de ACM niet is gehouden om een
overtreder eerst te waarschuwen voordat zij tot handhaving over kan gaan, maar
dat er sprake zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel wanneer de ACM
afwijkt van beleid of een gedragslijn:

Indien een bestuursorgaan echter beleid of een gedragslijn voert om wel
telkens een dergelijke waarschuwing uit te vaardigen, dan kan het handelen in
afwijking met dat beleid of die gedragslijn in strijd komen met het
rechtszekerheids- of het gelijkheidsbeginsel. (…) Wel hanteerde ACM een
gedragslijn in haar onderzoek met betrekking tot de naleving van artikel 6:230m,
eerste lid, van het BW door modewebwinkels. (…) Door aldus eiseres niet te
waarschuwen en 40 andere modewebwinkels wel alvorens – bij het voortduren of
herhalen van de overtreding van artikel 6:230m van het BW – over te gaan tot
boeteoplegging heeft ACM gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Gelet
hierop treft dit betoog van eiseres doel
.” 

Het boetebesluit op basis van schending
van de terugbetalingsverplichting liet de rechter in stand. Het onderzoek door
de Consumentenbond ging, aldus de rechtbank, over een andere gedraging dan de
waarschuwing aan de 40 modewebwinkels. Er was in zoverre geen sprake van
gelijke gevallen. Ook de andere argumenten van eisers troffen geen doel.

Hoger
beroep CBb

In hoger beroep werd door de
eisende partijen (lees de uitspraak hier
en hier)
aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte hun betoog niet heeft gevolgd dat ACM
tot 19 juni 2015 geen handhavingsbevoegdheid jegens hen kon uitoefenen voor
overeenkomsten op afstand. Volgens eisers volgde uit de Whc (artikel 8.2a zoals
het voor die datum luidde) niet duidelijk dat de ACM bevoegd was te handhaven
op overeenkomsten op afstand op het moment dat de ACM de terugbetalingsovertreding
vaststelde.
ACM
voert aan dat het gaat om de vraag of. Volgens ACM was zonder meer duidelijk
dat de koop op afstand onder de reikwijdte van consumentenkoop valt.

Het CBb overweegt als volgt. In
artikel 8.2a van de Whc werd niet verwezen naar overeenkomsten op afstand en
wanneer het de bedoeling zou zijn geweest om overeenkomsten op afstand wel
onder art. 8.2a Whc te laten vallen, dan had dat uitdrukkelijk uit de wet
moeten blijken. Pas vanaf 19 juni 2015 heeft de wetgever ook de overeenkomst op
afstand uitdrukkelijk onder de werking van artikel 8:2a van de Whc gebracht. De
overtredingen die volgen uit het onderzoeksrapport van de ACM zijn vóór die
datum vastgesteld. De conclusie is dat tot die datum het niet naleven van de
bepalingen van artikelen 6:230g tot en met 6:230z BW (Afdeling 2B van Titel 5
van Boek 6 BW) ten aanzien van overeenkomsten op afstand geen overtreding
oplevert van artikel 8.2a van de Whc. Gelet op het legaliteitsbeginsel uit artikel
5:4 van de Awb was de ACM niet bevoegd handhavend op te treden. Het CBb vernietigt
de boete in verband met de terugbetalingsovertreding. Tenslotte oordeelt het
CBb dat de rechtbank terecht is overgegaan tot gegrondverklaring van het beroep
van eisers in eerste aanleg.

Deze uitspraken zijn nu definitief,
het CBb is de eindrechter in deze zaken.

https://www.solv.nl/weblog/cbb-schrapt-boetes-acm-aan-modewinkels-bever-en-coolcat/21781