Een lezer vroeg me:

Laatst werd ik in de bus gecontroleerd op vervoersbewijs. Ik bleek de ov-chipkaart van mijn vrouw bij me te hebben. Dat was niet goed volgens de controleurs, maar ik ben in gemeenschap van goederen getrouwd. Dus is het dan eigenlijk niet onze gemeenschappelijke kaart?

Gemeenschap van goederen (art. 1:94 BW) is het concept dat je bij een huwelijk of geregistreerd partnerschap alles met elkaar deelt. De juridische term ‘goed’ verwijst daarbij naar “alle zaken en alle vermogensrechten” (art. 3:1 BW).

Zaken zijn “dingen die pijn doen als ze op je voet vallen” (art. 3:2 BW). Vermogensrechten zijn

subjectieve rechten die, hetzij afzonderlijk, hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn of ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel (art. 3:6 BW).

Een ov-chipkaart is op zichzelf een ding (zij het dat het weinig pijn doet), maar het gaat natuurlijk niet om dat stukje plastic. Het gaat om wat het vertegenwoordigt: het autoriseert gebruik van een abonnement of saldo middels het proces van in- en uitchecken.

Ik formuleer dat heel wollig, omdat een abonnement als hoofdregel geen vermogensrecht is. Het is een overeenkomst om vervoerd te worden (art. 8:20 BW) waarbij de kaart dient om de overeenkomst te sluiten en het begin/einde van de rit aan te geven. Zoiets noemt de wet een persoonlijk recht of relatief recht, en dat zijn naar hun aard geen vermogensrechten. Zo’n recht valt dus niet in de boedel.

Dit staat dan nog helemaal los van wat TLS en vervoersbedrijven zeggen over “op naam” of “persoonsgebonden”, want aan algemene voorwaarden kom je pas toe nádat je hebt vastgesteld wat voor recht iets is. Maar hoe dan ook, de ov-chipkaart van je partner gebruiken is dus niet te rechtvaardigen met een beroep op gemeenschap van goederen.

Arnoud